sieger.reismee.nl

Studeren: wat een luxe!

Hier eindelijk weer eens een blogberichtje vanuit Windhoek. Ik heb te veel beleefd om het hier allemaal op te schrijven, maar dat betekent in ieder geval dat ik me niet verveeld heb de afgelopen weken!

Over de onvergetelijke vakantie met Nienke zal ik kort zijn. Die leidde ons -via Etosha (Beekse Bergen, maar dan wat groter en spannender), de Caprivi (waar we vrienden werden met het tamme wrattenzwijn ‘Wally the friendly warthog’), Botswana (waar de douanevrouw wat moeilijk deed bij een controlepost, maar in een vriendelijke vrouw veranderde toen we besloten om toch maar een souvenir uit haar ‘winkeltje’ aan te schaffen)- naar de Victoria Falls (echt indrukwekkend, en héél nat) in Zimbabwe. En daarna weer terug naar Namibië (Via Chobe NP, waar we autopech kregen en de nacht gedwongen moesten doorbrengen in het park, terwijl de hyena’s rond de auto slopen en we de leeuwen hoorden brullen). We hebben dit alles gelukkig overleefd en vooral heel erg genoten in die drie weken.

Na al dit vakantieplezier moest ik natuurlijk wel weer aan de bak, want die scriptie moet natuurlijk toch een keertje klaar zijn. En aangezien ik me het Afrikaanse werktempo aardig eigen heb gemaakt, kan dat nog wel even duren;) Maar ik heb ook niet stil gezeten hoor. Sterker nog, na de vakantie is m’n onderzoek pas echt op gang gekomen. Waar het in de eerste maanden nog een beetje moeizaam ging om mensen op te sporen, of afspraken te maken, heb ik de afgelopen weken meer interviews afgenomen dan dat ik vooraf had durven hopen.

Waar is al die Hollanders heen?

De voorbereidingen in het archief en mijn telefoonboek-gezoek bleken uiteindelijk wel zijn vruchten af te werpen. En waar mijn eerste interviews weinig nieuwe ‘Hollandse’ contacten opleverden, had ik daarna wat meer geluk. Via via kwam ik dan weer aan nieuwe contactgegevens. Van mensen die niet in het telefoonboek stonden bijvoorbeeld: net zoals thuis zijn er steeds meer mensen zonder vaste telefoonlijn, en dus zonder vermelding in het telefoonboek. Daarnaast was er voor mij nog een praktisch probleem in mijn zoektocht. Het opsporen van zonen van Nederlandse migranten is nog wel redelijk te doen. De vrouwelijke nakomelingen zijn echter wat minder makkelijk te vinden. Het merendeel is natuurlijk getrouwd is en heeft een andere ‘van’ (Afrikaans voor achternaam) gekregen. Met mijn steeds groter wordende contactenkring werd het wat makkelijker hen op te sporen. Als extra hulplijn heb ik ook de landelijke krant ingeschakeld, gevraagd of ze niet wat over mijn onderzoek wilden schrijven of een oproepje wilde plaatsten. Dat konden ze wel regelen, en ik heb er ook nog wat reacties op gekregen! Hier kan je het artikeltje nalezen: http://www.republikein.com.na/erongo/waar-is-al-die-hollanders-heen.127533.php

Mijn interview-trip naar Swakopmund en Walvisbaai was een groot succes. Ik ging op pad met negen afspraken in mijn agenda, maar ging twaalf dagen later terug naar Windhoek toe met 24 interviews op m’n memorecorder. Waar de oud-Nederlanders in Windhoek nauwelijks nog contact met elkaar hebben (en me dus ook niet veel verder konden helpen aan nieuwe contactgegevens) was dat aan de kust wel anders. Dat blijken wel echt dorpjes te zijn,waar iedereen elkaar kent, inclusief alle bijbehorende roddels en achterklap;) En oud-Nederlanders hebben ze genoeg daar: de Diamantstraat in Swakopmund was wel het hoogtepunt, met drie ‘Nederlandse’ families in één straatje. De buit was dus net zo waardevol als de straatnaam al deed vermoeden!

De gastvrijheid was overal enorm: lunch, koffie, taart, braaien, ik ben niets tekort gekomen. Het toppunt was het avondeten na een van mijn interviews bij iemand thuis: een diner met champagne en truffels, omdat ze het zo leuk vonden dat ik langskwam! ‘Kan het nog gekker’, zou je dan zeggen…

En ja, het kan nog gekker. In Swakop heb ik de hele week bij een Afrikaner familie geslapen. De vader van Valerie (de vrouw des huizes) was een Nederlandse migrant, en dat was reden genoeg om mij onderdak te bieden en mij bovendien ook nog rond te rijden naar m’n interviewafspraken. Als die afspraken in de buurt waren, zei ik dat ik ook wel kon lopen, maar daar wilde ze niets van weten! Tja, een student met een privéchauffeur… wat een leven hè?!

Zo heb ik nu, inmiddels terug in Windhoek, meer dan dertig interviews kunnen afleggen. Natuurlijk is de een wat bruikbaarder dan de ander, maar ik ben erg tevreden. Er zitten zeker wat juweeltjes tussen. Zoals het verhaal van een Scheveninger visser die eind jaren ’40 naar Zuid West Afrika besloot te emigreren. Niet met een van de grote passagiersschepen waar de meeste migranten mee aankwamen, maar met de ‘Meeuw’, zijn eigen (houten) Scheveninger kotter. Of het verhaal van een Nederlander aannemer, nu 94 jaar, die in 1948 naar Windhoek emigreerde. Tot vier jaar terug was hij tevens brandweercommandant te Gobabis, maar hij vertelde dat me dat hij ook de jongste niet meer was, dus dat hij op z’n 90ste maar gestopt was als commandant.

Mooi waren ook de verhalen (en foto’s) over de Hollandse vereniging te Windhoek, de Sinterklaasvieringen en de verhalen over voetbalclub Hollandia. Ik heb gelukkig nog een foto kunnen vinden van het elftal: van die mooie jaren vijftig- tenues, wit met rood-wit-blauwe V-hals, een bruine leren bal op het gras en de keeper met zo’n ouderwets keeperhelmpje op. Of de prestaties ook een beetje naar behoren waren, weet ik niet. Gezien het feit dat er nogal wat Duitse clubs in competitie waren, zullen die natuurlijk meestal wel gewonnen hebben… Laten we het er maar op houden dat onze jongens altijd het mooiste voetbal speelden (televisiebeelden zijn er toch niet om het tegendeel te bewijzen;) maar dat de Duitsers na 90 minuten er toch altijd met de winst van doorgingen.

Goodbye Brave Warriors

Nu we het toch over voetbal hebben, in Windhoek ben ik naar het razend spannende kwalificatieduel tussen Namibie en Burkina Faso gaan kijken. Beide landen probeerden zich te kwalificeren voor de Afrika Cup, maar veel kans had Namibie daar niet meer op, met een laatste plek in de poule. Maarja, het is dan ook wel een echte poule des doods, met de voetbalgrootmachten Burkina Faso en Gambia als tegenstanders. Wilde de ploeg zicht toch nog kwalificeren, dan moest er die middag in ieder geval gewonnen worden.

Ik vond dat er niet heel veel mensen in het stadion zaten. ‘Zoek een plekje in de zon’ bleek dus niet zo moeilijk, en gezellig zitten deed ik er ook nog. Alle aanwezige Namibiers waren echter verbaasd dat er zoveel mensen op waren komen dagen. Aan hun commentaren te horen, was er weinig vertrouwen in een overwinning van de ‘Brave Warriors’ zoals de ploeg genoemd wordt. De mensen wisten eigenlijk ook niet waarom ze nog gingen: de laatste keer dat ze een wedstrijd hadden gewonnen, konden ze zich niet meer herinneren. Het voordeel hiervan was dat niemand rekening hield met een overwinning, dus toen er na 90 minuten een 1-4 nederlaag op het scorebord stond (figuurlijk gesproken dan, want er was geen scorebord) was er niemand teleurgesteld of chagrijnig en ging iedereen vrolijk huiswaarts. Dat wil niet zeggen dat er niet enthousiast gesupporterd werd. Vooral de eigen ploeg, de ±20 Burkina Faso supporters op de tribune en de scheidsrechter moesten het ontgelden. Mede omdat die laatste twee penalty’s aan Burkina Faso gaf, was hij niet bepaald populair op de tribune. De grootste schreeuwer op de tribune probeerde de politiemannen (die langs de lijn als stewards fungeerden) over te halen om de scheids toch maar alsjeblieft te arresteren na al zijn dubieuze beslissingen.

Afgelopen week ben ik nog terug in Swakopmund geweest voor wat vakantie. Ik wilde eigenlijk nog naar Kaapstad, maar gezien de busreis (16uur), mijn geslonken bankrekening en het weerbericht uit de Kaap (12 graden, regenachtig) besloot ik maar om Kaapstad te laten voor wat het was. Om toch even Windhoek te ontvluchten, ben ik dus naar Swakopmund geweest. Nu geen interviews, maar lekker actief gedaan: een paar dagen gesurft (koud!), en in de zandduinen van de woestijn nog gaan sandboarden (vet, alleen jammer dat er geen skilift is!) en quadbiken (nog vetter!). Alsof het allemaal niet genoeg is, heb ik ook de komende twee weken nog een goed programma. Morgen komt Leo, m’n vader aan in Windhoek en gaan we op pad naar het zuiden van Namibië om daar een beetje de toerist uit te hangen. Over twee weken vliegen we samen weer terug en hoop ik iedereen weer snel te zien!

Groetjes Sieger

(zie Facebook voor wat foto'tjes)

Onderzoek & Uni

Het is alweer even geleden dat ik wat geschreven. M’n studievisum is eindelijk binnen, waardoor nu maar lief vijf paspoortpagina’s zijn gevuld met Namibische stempels:) Het is hier bijna paasvakantie, Nienke landt morgen in Windhoek en maandag trekken we erop uit om de boel eens goed te gaan verkennen. We hopen een bezoek te kunnen brengen aan de Victoria Falls, maar we moeten onderweg maar kijken of dat haalbaar is. Dit is namelijk een recordjaar wat betreft regenval. Het is pas april, maar het jaarlijkse gemiddelde is inmiddels al ver overschreden. Dit betekent soms dat hele stukken asfalt onder water staan, of erger, zijn weggeslagen door de veroorzaakte vloedstromen.

Het noorden van Namibië is er het ergst aan toe, met buiten hun oevers getreden rivieren, overstroomde dorpen en veel mensen die hun huis en hele oogst zijn verloren. De enige inkomsten die nu mogelijk zijn, is door het verkopen van vis. In de krant zie je dan ook foto’s van overvolle bruggen met mensen die met netten en hengels in de weer zijn om hun maaltje bij elkaar te vangen. Verschrikkelijk dus voor de getroffen mensen hier, maar toch ook wel een beetje vervelend voor ons. Een van de lodges die we zouden bezoeken staat bijvoorbeeld inmiddels onder water, maar we hopen dat de situatie niet nog meer verslechterd. En áls we dan via Botswana Zimbabwe bereiken, moeten we natuurlijk ook nog eens hopen dat Robert Mugabe in een goede bui is en ons binnenlaat. Maar ondanks alle deze uitdagingen gaat het vast een mooie reis worden!

De Universiteit

Elke dinsdag t/m vrijdag ga ik met de taxi naar de universiteit. Dat klinkt luxer dan het is. De taxi’s deel je met drie anderen (gewoon wachten tot ie vol is), kost 80 eurocent per ritje en is ook de enige manier van openbaar vervoer. De auto’s vallen vaak nog net niet van ellende uit elkaar. Soms kost het bijvoorbeeld de grootste moeite om de deur open of dicht te doen. Aan het oer-Hollandse advies ‘Niet met de deuren slaan’ heb je dan ook helemaal niets: gewoon keihard dat portier dichtrammen, dat werkt een stuk beter! De meeste chauffeurs rijden als gekken, toeteren er lustig op los en het is een wonder dat ik nog nooit pech heb gehad tijdens een ritje. Altijd staat er namelijk wel ergens een kapotte taxi langs de weg. Soms een lekke band, een afgebroken uitlaat of wielophanging en een enkele maal een volledig in de kreukels gevouwen taxi. Waarschijnlijk net iets te hard gereden of te druk aan het bellen geweest. Voordeel van het soms roekeloze rijgedrag is wel weer dat je binnen no time op je bestemming bent…

Eenmaal op de universiteit, een paar kilometer buiten het centrum, kreeg ik vaak het gevoel dat ik weer op de middelbare school was beland. De 4 uur college die ik heb, zijn niet zoals ik had gedacht in een of twee blokken verdeeld, maar van dinsdag-vrijdag iedere dag een uurtje. Het is ook echt een uur-tje, want vaak begint het uur vijf minuutjes later, moeten we daarna nog op zoek naar een lokaal met een werkende beamer (voor de presentaties die iedere student moet houden) en is het vijf minuten voor tijd alweer inpakken geblazen, omdat de meeste studenten dan weer richting hun volgende college gaan. Bij elkaar opgeteld is het overigens precies een Leids Kwartiertje, dus wat dat betreft verschilt het ook weer niet zoveel!

Ik ben niet de enige internationale student, wel de enige blanke student in m’n klasje. De mensen in Namibië die een beetje geld hebben (en dat zijn toch vaak –nog steeds- de blanken) sturen hun kinderen liever naar Zuid-Afrikaanse universiteiten, waar het niveau hoger is. De meeste studenten waren dan ook allemaal erg verbaasd waarom ik toch in hemelsnaam naar de University of Namibia was gekomen. Maar ondanks dat het niveau inderdaad niet echt hoogstaand is (en de lessen vaak zomaar niet doorgaan) vind ik het wel erg gezellig en leuk om te kijken hoe het er op een Afrikaanse universiteit aan toe gaat. Want dat je in Afrika bent, wordt af en toe toch wel weer duidelijk. Zo woedde er het eerste college een heftige discussie. De docent vertelde dat van iedere student verwacht wordt om een presentatie te geven, en dat hij/zij daarbij een hand-out (1 A4tje) uitdeelt met daarop de belangrijkste inhoud. Dat laatste leidde tot grote ophef, want dat betekende dus dat je voor iedereen (ong. 18 mensen) een kopietje moest maken. Maar wie betaalde dan voor die kopietjes, zo vroegen de meesten zich af? Die 18 blaadjes ging je toch niet op eigen kosten voor iemand anders maken?! Pas nadat de docent had uitgelegd dat als iedereen dit deed, iedereen dan hetzelfde bedrag kwijt was aan kopieergeld. Dan hoefde je dus niet in de klas bij de mensen langs om per kopietje geld op te halen. Daaruit blijkt wel dat er toch wel een wereld van verschil zit, want thuis hoeft niemand zich (gelukkig!) druk te maken om de kosten van 18 kopietjes….

Ik was overigens erg verbaasd: het lokaal waar we zaten, had zowaar een echt smartboard. Volgens mij hebben veel basisscholen dat in Nederland ook wel, maar in het conservatieve bolwerk dat Leiden heet, kennen we volgens mij nog niet eens. Ik had er in ieder geval nog nooit een gezien. Toch is hier ook niet iedereen op de hoogte van de (on)mogelijkheden van zo’n schoolbord. Een ijverige docent had het witte bord volgekalkt met allerlei wiskundige formules. Helaas niet met de stift die daar voor nodig was, maar met een watervaste stift. Dit had als gevolg dat het innovatieve touch screen nergens meer op reageerde. Was dit wel het geval geweest, dan had dit weinig verschil gemaakt, want door al het gekladder op het bord (dat door boen-pogingen alleen nog maar erger was geworden) was toch niet veel meer te zien. Dit is dus de reden dat we elke dag eerst op zoek moeten naar een vrij lokaal met een werkend bord. Afgelopen week heb ik mijn presentatie gehouden, over de anti-apartheidsbeweging en de verschillende regeringen in Nederland en hun steun aan de onafhankelijkheidstrijd in Namibië (op een werkend bord). Wist daar zelf ook maar weinig van, dus was leuk om uit te zoeken. M’n presentatie viel in de smaak, want het was de beste van de klas volgens de docent:)

Mijn onderzoek

Mijn werk in het archief zit er inmiddels op. Ik wist vooraf niet wat ik kon verwachten, maar gelukkig ben ik goed wegwijs gemaakt door de directeur en zijn alle (voor mij interessante) archieven openbaar. Behalve één incident met de archiefjuffrouw die door een storing 40 minuten (met mijn archiefstukken) vastzat in de lift, is mijn onderzoek er probleemloos verlopen. De belangrijkste bronnen in het archief waren voor mij de zogenaamde ‘Aliens Registration Cards’. Van alle (blanke) migranten die de afgelopen eeuw Zuid-West-Afrika binnenkwamen, is een kaart aangemaakt met daarop naam, geboortedatum, datum van binnenkomst, nationaliteit, beroep, een pasfoto en soms nog wat aanvullende gegevens. Erg belangrijk, omdat er in Nederland geen gegevens bestaan over de migratie naar Zuid-West-Afrika.

Door de pasfoto’s op de kaarten was het doorwerken van de 60 dozen vol kaarten wel enigszins te doen. Die pasfoto gaf die immigranten letterlijk een gezicht, wat het toch wel wat boeiender maakte. Je komt de raarste koppen tegen en vraagt je af welke verhalen daar achter schuil gaan.

Dat het nationaalsocialisme in Zuid-West Afrika in de jaren ’30 hier onder de Duitstalige bevolking (Duitse migranten beslaan veruit de meerderheid van alle kaarten die ik gezien heb) flink wat aanhangers had, wist ik al. In het fotoarchief op de computer (de enige in het hele archief!) kom je foto’s tegen van wapperende hakenkruisvlaggen, het prominente NSDAP-kantoor in de Kaiserstrasse en de door de straten van Swakopmund marchererende Südwest abteilung van de Hitlerjugend. In Zuid-West geen gebrek aan kleine blonde ariërtjes, getuige die laatste foto.

Dat enthousiasme was op de pasfoto’s goed terug te zien in de snordracht van de Duitsers die in de jaren ‘30 binnenkwamen. Al is het wetenschappelijk misschien niet zo’n sterk argument om aan de snordracht een politieke voorkeur op te hangen, het feit is wel dat ik vrijwel geen niet-Duitse migranten met kleine vierkante snorretjes voorbij heb zien komen. Daarnaast ben ik er nu ook achter dat op de een of andere manier de desbetreffende snorren na 1945 sterk uit de mode zijn geraakt: niemand die er dan nog zo een draagt!

Toch zitten er ook wel tragische verhalen achter de kaarten. Zo stuitte ik op een Duits jongetje dat met zijn moeder begin 1939 voor een paar maanden op familiebezoek naar Duitsland vertrok. Toen tijdens hun bezoek de oorlog uitbrak, was er geen mogelijkheid meer om terug te keren naar Zuid-West-Afrika. Uiteindelijk zou hun ‘familiebezoek’ meer dan zes jaar duren. Pas toen was er weer de mogelijkheid om terug te keren nar Windhoek. Het zet je wel aan het denken. Ik ben hier ook voor een halfjaartje, en hoewel ik het enorm naar m’n zin heb, moet ik er niet aan denken om hier zes jaar verplicht te moeten blijven, en dan ook nog eens in een land dat in oorlog is.

Sommige foto’s zijn haast net zo stereotyperend als die van Duitsers met kleine snorretjes. Zo hoef je bij sommige kaarten het kopje ‘beroep’ echt niet meer te lezen om te weten dat het om boeren gaat, gezien hun zongebruinde, haast als leer gegroefde koppen. De smoezelige en ruwe zeemannen en vissers pik je er ook snel uit. Bijna allemaal Noren die in Walvisbaai in de visindustrie (vooral de walvisvaart) werkzaam waren. En dan waren er ook nog aardig wat joden met de bestemming Zuid-West-Afrika. Het merendeel zal ik zeker niet als zodanig herkend hebben (er stond hier geen ‘J’ op de registratiekaart, zo Duits was het hier gelukkig ook niet). Maar er waren er ook bij met een onmiskenbaar joods uiterlijk. Wanneer ze dan ook nog eens diamantbewerker van professie bleken, maakt dat het stereotype wel helemaal compleet.

Maar goed, terug naar de Nederlanders. Tussen de vele Duitsers viste ik er af en toe een Hollander uit, en nadat ik alle zestig dozen had doorlopen, heb ik toch meer dan 500 Nederlanders gevonden. Deze kaarten kon ik gelukkig allemaal fotografen (wel zo handig) waarna ik ze ’s avonds dan thuis in mijn lijst invulde. Hierna heb ik ergens een telefoonboek opgetrommeld. Gelukkig heeft Namibië met z’n 2 miljoen inwoners maar één telefoonboek. Het is namelijk niet het beste boek dat ik ooit heb gelezen (letterlijk van A-Z) en ik zal het jullie ook niet aanraden. Maar gelukkig vond ik wel redelijk wat namen terug die ik eerder in het archief was tegengekomen. Daarna ben ik gewoon gaan bellen. Soms zonder resultaat (geen familie), maar gelukkig vaak met een goed resultaat. Wanneer ik halverwege m’n introductie was, kreeg ik dan te horen dat ik wel in het Nederlands verder kon gaan.

Tot nu toe heb ik vijf interviews gedaan, soms met mensen die als kind in de jaren ‘50 met hun ouders hiernaar toe zijn gekomen, soms kinderen die hier geboren zijn als kind van een Nederlandse vader en/of moeder. De mensen helpen me graag en halen me zelfs thuis op (dat ik met mijn fiets naar ze toe kan komen vinden ze maar onzin). De meeste interviews gaan in een grappige mix van Nederlands, Afrikaans en Engels. Deze week had ik echter een interview met een vrouw van een jaar of 70, die in 1951 als klein meisje hier naar toe was gekomen en die tot mijn verbazing nog bijna foutloos (en zonder het Afrikaanse accent wat de meesten hebben) Nederlands sprak. Blijkt dat je hier ook het Nederlandse Wereldomroep-kanaal kan ontvangen. De vrouw (die overigens speciaal voor mijn bezoek boterkoek had gebakken en lunch had ingeslagen) keek bijna elke dag het Nederlandse journaal. Waarom weet ik eigenlijk ook niet, maar ze kon me in ieder geval alles vertellen over het schietdrama in Alphen. Daarnaast keek ze ook graag naar De Wereld Draait Door (‘Jaha, ik kijk iedere avond naar Matthijs’).

Verder heeft de Nederlandse consul nog een oproep voor me gedaan, daar heb ik ook nog wat reacties op gekregen. Al met al heb ik een lijst die zich steeds verder uitbreidt. Wanneer ik terug ben van vakantie ga ik weer vol energie verder met het afnemen van de interviews, maar nu is het tijd voor ‘vakantie binnen een vakantie’, want anders kan ik het toch niet noemen.

Baie groete, Sieger

‘Binnen drie dagen het land uit’

‘Binnen drie dagen het land uit’. Zo klonken de onheilspellende woorden van de ambtenaar aan de andere kant van het bureau. En daar kon ik het mee doen, een nadere toelichting waarom mijn aanvraag voor visumverlenging was afgewezen vond hij blijkbaar niet nodig, want hij boog zich weer aandachtig over de papieren die voor hem lagen. Mijn opengevallen mond en gestotter dat dit toch een fout moest zijn, interesseerde hem verder totaal niet meer.

Voordat jullie denken dat ik op dit moment op de terugreis ben naar Nederland, wees gerust. Inmiddels zijn we alweer een week verder en bevind ik me nog steeds in Namibië. Ik beloof de volgende keer niet meer over mijn persoonlijke ‘visa-gate’ te schrijven. Maar aangezien ik een groot deel van mijn tijd op bankjes, stoelen en in rijen van het Ministerie van BiZa heb doorgebracht, kan ik dat toch moeilijk onvermeld laten.

Mijn studievisum, nodig om hier college te mogen volgen, had zoals ik vorige keer schreef al wat problemen opgeleverd. Mijn bezoekjes aan die afdeling hebben behalve het antwoord ‘Come back next week’ nog weinig resultaat gehad. Toen me dat een paar keer achter elkaar was gezegd begon ik er rekening mee te houden dat dit nog wel even kon duren. Na vriendelijk te hebben uitgelegd dat mijn tijdelijke visum op 8 maart af zou lopen, was ik zo vrijmoedig om de beste man te vragen wat te doen als mijn studievisum dan nog niet klaar zou zijn. ‘That’s not my problem’, luidde zijn antwoord, waarop hij boos en geïrriteerd verder ging dat ik dat beneden maar moest uitzoeken, voor dat soort vragen moest ik niet op zijn afdeling zijn!

Eenmaal beneden, na een uurtje in de rij te hebben gestaan, vertelde de vrouw achter het glas me dat verlenging geen probleem was. Een formuliertje invullen, N$80 (ong.8e) betalen, paspoort afgeven, dan was dat binnen een paar dagen geregeld. Goed, die paar dagen bleken een week, maar uiteindelijk kon ik op 8 maart, de dag dat mijn visum afliep, mijn paspoort weer ophalen. Ik was dan ook verheugd toen de man na wat zoeken in een soort grote grabbelton vol losse paspoorten, in staat was de mijne er uit te vissen (ik had al achter diverse mensen in de rij gestaan, waarvan ze het paspoort niet meer konden vinden). Hij controleerde even of mijn nieuwe stempel er in stond. Checkte het nog eens, om daarna nog een derde keer door mijn paspoort te bladeren. Van een nieuwe stempel was geen sprake. Ik kon me het beste maar even boven gaan melden.

En daar kreeg ik dus van die ongeïnteresseerde man te horen dat ik niet meer welkom was in Namibië en drie dagen had om m’n rugzak weer in te pakken. Nadat ik van de eerste schrik bekomen was en ik weer in verstaanbaar Engels kon vragen naar de reden van mijn ‘rejection’ kon hij me dat niet vertellen. Dat stond vermeld op mijn aanvraagformulier, en dat waren ze -uiteraard- kwijt. Gelukkig keerden mijn kansen op een iets langer verblijf in Namibië, toen op dat moment zijn boomlange chef het kantoor kwam binnenstappen. Die hoorde ons gesprek aan en gaf de man tegenover mij de opdracht om door alle aanvraagformulieren te gaan. Met grote tegenzin besloot die laatste dat hij er toch maar beter aan deed de orders van zijn chef op te volgen. Maar mijn aanvraagformulier bleef onvindbaar. Hierop riep de chef me bij zich, schoof zijn bureaula open, gooide m’n paspoort erin en zei me (deze keer op enigszins geruststellende wijze) ‘Come back tomorrow morning’.

In de tussentijd heb ik contact opgenomen met de Nederlandse consul te Windhoek en hem op de hoogte gebracht. Hij zei me dat ze zonder een aantoonbare reden niet zomaar uit kunnen zetten, en dat ik maar even moest afwachten wat er de volgende dag zou gebeuren. Mochten ze hun dreigement doorzetten, dan zou hij daar een afspraak maken om over mijn zaak te overleggen.

De volgende morgen zat ik al om 8.00 voor het kantoor van de chef. Het probleem was alleen dat hij nergens te bekennen was. Nadat een paar vriendelijke mensen (zijn er dus blijkbaar toch, alhoewel erg zeldzaam) me vroegen waarom ik daar al uren op een bankje zat te wachten, werd ik net voor de lunch in het kantoor geroepen. Ik verwachtte een mededeling dat de chef er pas ‘s middags weer zou zijn en dat ze me niet konden helpen omdat hun baas het paspoort in z’n bureau had. Maar daar zat een van die vriendelijke mensen… met mijn paspoort! Ik moest even naar beneden, N$390 betalen en dan was alles in orde. Mijn voorbereidde verhaal (over studie, onderzoek, betaalde accommodatie en terugreis, vriendin die me komt opzoeken) in de hoop op wat sympathie hoefde ik er niet eens voor uit de kast te halen.

Kortom, een studievisum heb ik nu nog steeds niet, maar ik mag in ieder geval tot 30 mei blijven. Tot die tijd resten er nog zoveel weken, dat ze me daar op gegeven moment toch een keertje zat moeten worden en me maar gewoon het vereiste stempel geven.

Naar de bosjesmannen

Gelukkig beleef ik hier ook nog allerlei leuke dingen. De colleges zijn inmiddels begonnen en in het archief schiet ik aardig op. Ik heb ook nog een mooie trip gemaakt, die zeker de moeite van het vertellen waard is. Glenn vroeg me of ik zin had om met Likius, een van zijn werknemers mee te rijden naar Tsumkwe, midden in ‘Bushman country’, in het noordoosten van Namibië. Die moest daar de vorig jaar door hun bedrijf geïnstalleerde zonnepanelen en geisers controleren, omdat er klachten waren. In mijn eerste weken was ik Windhoek nog niet uitgeweest, dus ik hoefde natuurlijk niet lang over die vraag na te denken (ook al betekende dat ik gelijk al wat colleges moest missen).

Met Likius’ pick-up zijn we vroeg op pad gegaan om laat in de middag in Tsumkwe te arriveren. Kauwend op de grote ingeslagen voorraad biltong reden we zo door het steeds veranderende landschap van Namibie. Bergen, uitgestrekte maïsplantages, en savanneachtig grasland wisselden elkaar af. Hoe verder we Windhoek achter ons lieten, hoe Afrikaanser het werd: Bavianen langs de kant van de weg, een opstopping doordat een vrachtwagen precies midden op een t-splitsing zonder benzine was komen te staan (gelukkig konden wij onze weg vervolgen, de auto’s die de andere richting op moesten hadden minder geluk, want de chauffeur was verdwenen om ergens wat benzine te halen) en allerlei stalletjes langs de weg. Hoe dichter we bij onze bestemming kwamen, hoe minder auto’s we tegenkwamen. Wel zagen we steeds meer krakkemikkige karretjes met ezels ervoor, met een zweep driftig aangespoord om de vaart er een beetje in te houden. Even later had ik ook nog het geluk een giraffe, talloze hertjes, een struisvogel, zo’n Pumba-zwijn en een kameleon te mogen ontmoeten.

Tsumkwe is dus de ‘capital’ van de San (de wat meer gangbare naam voor de bosjesmannen), maar daar moet je je niet te veel van voorstellen. Een kruispunt met een benzinestation (waar ze soms benzine hebben, maar net zo vaak niet), een nieuw gebouwde school, politiestation, kliniekje, kroeg, radiozender, internetstore voor de bewoners en een splinternieuw (en enorm) gerechtshof. Eens per maand komen er rechters om de lokale zaken te behandelen. Hoeveel dat er zijn weet ik niet, maar het gebouw steekt een beetje vreemd af bij de hutten en kleine stenen huisjes waar de plaatselijke bevolking het mee moet doen. Afgezien van een klein winkeltje met alleen het hoognodige, ontbreekt een supermarkt. Alcohol is daarentegen wel ruimschoots verkrijgbaar. De enige eetgelegenheid is een hutje langs de weg, waar twee Afrikaanse vrouwen (in van die Victoriaanse gewaden) boven een vuurtje in gietijzeren ketels vol vlees roeren, en waar je zittend op een emmer of boomstronk je ‘kapana’ opgediend krijgt. De meeste dieren lopen los door het dorp; kippen, honden, geiten en af en toe sjokt er langzaam een koe voorbij.

Wanneer je als toerist deze streken bezoekt, dan laten de San je zien hoe ze traditioneel leven, jagen en dansen. Dat heb ik allemaal niet gezien, De bushmen hier droegen gewoon T-shirts, spijkerbroek en slippers. Hun traditionele speren, pijl en boog die je op de ansichtkaarten in Windhoek ziet, waren in Tsumkwe ingewisseld voor een flesje bier of wijn. Kortom, wat minder romantisch, maar wel een wat realistischer beeld dan dat je anders krijgt voorgeschoteld. Alle banen (politie, rangers, bouw, winkeltjes) zijn overigens in handen van (Namibische) niet-San. Uit de verhalen die ik hoorde, blijkt dat die maar weinig begrip kunnen opbrengen voor het San-volk. Onbetrouwbaar, lui, dom, dat waren wel zo’n beetje de kwalificaties. Ik vind het moeilijk wat ik daar nou van moet denken. Als je die vooroordelen blijft houden, en alle ‘gewone’ banen naar andere Namibiers blijven gaan, dan treedt er natuurlijk nooit verbetering op. Aan de andere kant, ik sprak met een aannemer die daar aan het werk was. Hij had het wel geprobeerd met bushmen. Maar die kwamen soms van de ene op de andere dag niet meer opdagen, of besloten halverwege de dag naar huis te gaan, omdat ze op dat moment toch niet zo’n zin hadden om te werken. Als je dan als aannemer je deadline moet halen, begrijp ik ook wel heel goed dat je dan liever wat betrouwbaarder personeel uit een andere streek laat overkomen.

De nacht brachten we door even buiten het dorpje, in de luxe lodge, afgezien van het hostel voor de overheidsmensen, de enige slaapgelegenheid. Toen we daar ’s avonds onze (uitstekende) maaltijden naar binnenwerkten, rende het personeel onder luid gejoel en gelach door het restaurant. Verwoed, maar zonder resultaat, maakten ze met pijl en boog jacht op twee ratten, die zich razendsnel over de dakbalken uit de voeten probeerden te maken. Dat is toch wel even wat anders dan thuis uit eten te gaan!

De volgende dag zijn we met Jimmy, een van de inwoners, op pad gegaan om de zonnepanelen en geisers te controleren. We zijn bij veel mensen binnengeweest, soms was alles daar heel netjes, andere huizen waren weer supersmerig. We vroegen de mensen of ze problemen hadden, maakten wat foto’s en controleerde het water en de gasstoofjes, die ook door Glenns bedrijf waren geïnstalleerd. Het werktempo lag niet zo hoog, meestal was alles per huis binnen 5 minuten gebeurd, waarna we dan nog 15-20 minuten een praatje maakten. En elke keer als we de dorpskroeg passeerden (wat opvallend vaak het geval was;) werd daar natuurlijk ook even pauze gehouden. Lunchen deden we natuurlijk bij het Kapana-stalletje. Geen idee wat ik gegeten heb, maar het smaakte prima. De zure geitenmelk heb ik maar vriendelijk afgeslagen. Na de maaltijd moesten alle klanten even helpen een oude auto aan te duwen, die niet meer wilde starten, zodat er ook aan lichaamsbeweging geen gebrek was.

Uiteindelijk bleken de problemen van de inwoners wel mee te vallen. Het grootste probleem was dat er niet altijd genoeg waterdruk was. De watertoren (een groot vat op een stellage) kon eigenlijk de vraag naar water niet aan. Vooral in de ochtend was dit een probleem. Na 22.00 gaat de generator (een oude vrachtwagenmotor) uit en is er nergens elektriciteit in het dorp (in de lodge overigens ook). Pas om 6.00 gaat die weer aan, en kan de pomp het ’s nachts gedaalde waterniveau van de watertoren weer bijvullen. Doordat die in die eerste uren nog niet vol is, is de druk onvoldoende om ook de huizen die er het verst van afstaan, van water te voorzien. De ‘burgemeester’ van het dorp had er die ochtend overigens weinig last van, want die stond met een tuinslang op z’n gemak zijn glanzende VW Golf (type 1) te wassen. Wellicht brengt de nieuwe centrale op zonne-energie (die ze op dit moment aan het bouwen zijn) een oplossing voor de mensen. Op het moment konden we er weinig aan doen. Tsumkwe is wat te hard gegroeid, maar de watervoorziening is daarbij achtergebleven.

Waren we nog met z’n tweeën gekomen, we begonnen onze de terugweg met ons ‘bakkie’ vol Afrikanen. Het halve dorp wilde meerijden om in Grootfontein (de enige stad in de buurt, zo’n 200km verderop) familie te bezoeken of boodschappen te doen. Uiteindelijk paste er negen mannen en vrouwen achterin. Halverwege moest er iemand uit, die daar in een dorpje woonde. Op dat moment kwamen er twee kindertjes uit de bosjes rennen. Of ze mee mochten rijden, was hun vraag. Dat kon wel, als ze nog een plekje konden vinden, we waren wel bijna vol. Nog voordat we die zin uitspraken, riepen ze wat richting het struikgewas. Daarop kwamen nog zes broertjes en zusjes enthousiast naar ons toe gerend. Het waren maar kleintjes, dus met een beetje proppen en bij elkaar op schoot zittend lukte het, en waren we opeens met z’n achttienen! Na onze passagiers te hebben afgezet hadden wij nog zo’n 500km voor de boeg en zonder verdere problemen arriveerden we ’s avonds laat in Windhoek.

Volgende keer (echt!) een verhaaltje over de universiteit en m’n onderzoek! Bedankt voor al jullie reacties/mailtjes op m’n vorige verhaal!

Groetjes Sieger

Groeten uit Windhoek

Aangezien er zoveel mensen benieuwd zijn (bedankt voor alle mailtjes!) naar mijn avonturen in Namibie heb ik toch maar een weblog aangemaakt. Zo kan iedereen die dat wil op de hoogte blijven van mijn avonturen in Afrika en mijn onderzoek naar de Nederlandse migranten die ooit besloten dat Namibië hun nieuwe thuishaven moest worden.

Na een probleemloze maar lange reis ben ik 9 februari veilig aangekomen op het vliegveld van Windhoek. Uit het vliegtuig kijkend leek alles beneden wel groen, terwijl ik toch echt verwacht had één grote geelbruine vlakte voor me te zien. Ik dacht eerst nog dat het wellicht door de lichtinval kwam, maar toen ik ook zilverglinsterende adertjes zag, die zich door het groen een weg baanden, moest ik toch gelijk mijn beeld van Namibie bijstellen. De enorme zandbak die ik verwachtte, bleek wat minder droog en desolaat dan gedacht.

Glenn, een oude Namibische schoolvriend van m’n scriptiebegeleider was naar het vliegveld gekomen en stond met een bordje ‘Sieger’ te wachten. Na onze eerste kennismaking vertrokken we richting Windhoek (35km verderop) en verbaasde ik me weer over al het groen om me heen. Glenn vertelde me dat er dit jaar al twee keer zo veel regen als gewoonlijk was gevallen, en dat alles rond deze tijd meestal al dor en geel was. Nu regende het nog iedere dag en stond alles volop in bloei. In het noorden zijn er zelfs overstromingen, met weggespoelde wegen, geëvacueerde dorpen en bomvolle stuwmeren als gevolg.

In Glenns huis in Klein Windhoek verwelkomde zijn vrouw Jeanette mij in Namibie met ontbijt en koffie. Hun gastvrijheid was fantastisch, de eerste drie dagen mocht ik daar logeren totdat ik accommodatie zou hebben gevonden. Glenn heeft me de stad laten zien, een braai (barbecue) georganiseerd en geholpen met het vinden van een kamer. Met hun zoontje Sean (die is 10 en wil later rock-ster worden;) heb ik gitaar gespeeld, ben mee uit eten genomen en ik mag gedurende mijn verblijf hier een fiets van ze lenen. Een betere gastheer/vrouw had ik me dus niet kunnen wensen.

Eigenlijk wilde ik een kamer in een hostel (dan ontmoet je wat meer mensen) maar daar was geen plek meer voor me. Heb nu een appartement, ietwat boven m’n budget en erg groot, maar verder prima en midden in het centrum. De Duitse invloed is na bijna een eeuw (Namibië was tot 1915 een Duitse kolonie, Deutsch-Südwest Afrika) nog niet verdwenen: ik woon op de hoek van Gartenstrasse en Talstrasse. Het appartement is overigens een soort vesting. Overal tralies, een dubbele voordeur, prikkeldraad als uitzicht en ’s nachts een bewaker voor het appartementencomplex. Ik kan het me niet voorstellen dat ik in zo’n omgeving zou zijn opgegroeid of voorgoed zou moeten wonen, maar hier is dat blijkbaar heel gewoon.

Ik heb voor m’n vertrek in Nederland nog een hoop gedoe gehad met m’n visum, en dat is hier niet anders. M’n studievisum moet ik namelijk hier in Windhoek op het Ministerie van Binnenlandse Zaken ophalen, maar mijn maanden geleden opgestuurde documenten konden ze nergens meer vinden. Nederlanders mogen met een toeristenvisum Namibie binnen, dat is verder geen probleem. Maar als ik met een toeristenvisum naar binnen zou gaan, dan was dat wél een probleem. Ik kwam namelijk niet als toerist, zo vertelde de ambtenaar mij, maar als student. Met een toeristenvisum zou ik dus op valse gronden binnen komen (stoute Sieger toch!), en dat kon echt niet. Dus kon ik voor vertrek nog halsoverkop naar de ambassade in Brussel om een entry-visum (lees: een 80euro-kostend stempeltje) aan te schaffen.

Hier in Windhoek dus maar snel naar BiZa toe. Gelukkig stond ik om 8uur al voor de deur, want eenmaal aan de beurt bij een van de balies, had zich echt een enorme rij achter mij gevormd. Godzijdank had ik de naam nog van een vrouw die ik had gesproken, en zij bleek redelijk hoog in de organisatie te zitten. Letterlijk en figuurlijk, want na een papiertje met daarop een stempel en een handtekening mocht ik naar de 3de verdieping om daar mijn zaakjes te regelen. Eenmaal daar aangekomen begreep ik meteen waarom mijn documenten ‘onvindbaar’ waren. Overal om me heen zag ik bureaus, volgestapeld met documenten en mappen, die als een soort mikado-brei in elkaar waren vervlochten. Wat niet meer op de tafel paste, kreeg een plek op de grond. Waar je ook keek lagen stapels mappen en papier, met smalle paadjes ertussen. Van bovenaf moet het net een loopgravenstelsel hebben geleken.

Daar zat ik dan, ingebouwd tegenover een dikke zwarte ambtenaar die mij zou ‘helpen’. Hij keek een ogenblik in mijn paspoort en zuchtte diep. Vermoeid tilde hij een paar mappen van hun plaats, verlegde zijn aandacht naar het schermpje van zijn mobiele telefoon, las een A4tje en zuchtte weer. Mijn papieren kon hij nergens vinden. Ik moest alles maar opnieuw invullen. Gelukkig had ik alles gekopieerd en vertelde hem dat. Zuchtend nam hij de papieren door, afgewisseld met het lezen en schrijven van sms’jes op zijn Nokia. Ik moest volgende week maar terugkomen, dan was het wel geregeld. Ik vertelde dat ik het nodig had voor mij registratie voor de universiteit. Hij zuchtte weer en vertelde dat dit niet hoefde, maar verdween toch naar een andere kamer om even later terug te komen met een papiertje met daarop een stempel (jaja, weer eentje:) Kon ik voorlopig laten zien op de universiteit, voor m’n visum moest ik volgende week maar terugkomen.

Morgen weer proberen dus. Glenn vertelde me dat hij eens een ID-kaart heeft aangevraagd. Daar staat een wachttijd van zes weken voor. Uiteindelijk kreeg hij na 18 maanden(!) bericht dat zijn kaart gereed was. Dus ik ga maar nergens meer van uit hier! Ik denk dat ik de eerste Nederlandse ambtenaar die ik straks weer tegenkom spontaan om de hals vlieg om hem/haar uitvoerig te bedanken voor de snelheid waarmee alles in Nederland is geregeld.

Los van bovenstaand probleem gaat het hier prima met me. Al is Engels de officiële taal, veel mensen spreken hier Afrikaans. Om dat wat sneller onder de knie te krijgen (wellicht moet ik later nog oud-Nederlanders interviewen die alleen Afrikaans spreken) luister ik naar de Afrikaanse radio en lees de Afrikaanse krant. Het is verder nog steeds wel wennen aan het warme weer, zo van de Nederlandse winter naar een temperatuur van 25-30 C. Zonder petje en zonnebril heb ik binnen een minuut koppijn, maar het is ook wel heerlijk om op een terrasje te zitten en weer in m’n zomerse kloffie over straat te gaan.

Wat betreft mijn onderzoek, dat start ik langzaam op. Ben al vriendjes geworden met de directeur van het nationaal archief hier, met mensen van de Namibian Scientific Society en professor Botha, het hoofd van de geschiedenissectie van de universiteit. Voor m’n onderzoek erg handig en ze zijn allen erg behulpzaam om mij verder te helpen. M’n eerste archiefdagen heb ik al achter de rug en vond het weer heerlijk (hoe gek het voor sommigen ook mag klinken) om al die oude documenten door te spitten, op zoek naar Nederlandse immigranten.

Deze week starten ook de colleges, ik ga één vak volgen en ben benieuwd hoe dat zal zijn, maar daar horen jullie binnenkort meer van!

Groeten uit Windhoek,

Sieger